Monitor 3, september 2010

Forensische moleculaire biologie MOORDTIJD “Nog een geluk dat het geen elektrische wekker is.” Rechercheur Van der Zanden keek zijn collega schaapachtig aan. “Want?” “Dan hadden we het moment van de moord niet zo nauwkeurig kunnen vaststellen”, zei Laarmans. V an der Zanden fronste zijn hoge voorhoofd. “Nu krijgen we het tijdstip zo ongeveer op een presenteerblaadje aangeboden,” ging Laarmans onverstoorbaar verder en hij wees naar het nachtkastje. Van der Zanden trok een misprijzend gezicht en keek naar het meubeltje, waarop een overmaatse wekker stond. Het was zo’n ouderwets geval, met een beugel en twee bellen bovenop. Vanmorgen had Charles C., een 48-jarige zakenman, het bureau gebeld met de mededeling dat hij per ongeluk zijn vriendin had gedood. Eén enkele klap met een stalen wekker tegen haar hoofd. Een tragisch ongeluk, noemde hij het zelf. Van der Zanden liet zich voorzichtig op één knie zakken en boog vervolgens zo ver voorover dat zijn neus bijna het glas raakte. Het was nog heel, zag hij, en er zaten een paar rode vlekjes op. De wekker tikte, maar de wijzers kwamen niet van hun plek. “Tien over half drie”, mompelde hij. Een beetje onzinnig, want je kon de wijzerplaat van meters afstand zien. “Waarschijnlijk heeft het uurwerk zo’n dreun gekregen, dat het stil bleef staan.” “Net als het slachtoffer”, vulde Laarmans spottend aan. “En hoe laat belde Charles C. naar één-ééntwee?”, rijmde Van der Zanden. “Elf minuten voor negen.” “Ruim zes uur later…Wat heeft hij in de tussentijd gedaan? Uitgebreid gedoucht? Sporen uitgewist?” “Hij beweert dat hij direct het alarmnummer heeft gebeld. Misschien was de wekker gewoon kapot en stond hij altijd op tien over half drie?”, zei Laarmans, niet beseffend dat hij daarmee zijn eerdere presenteerblaadjesstelling onderuithaalde. “Waarom zou iemand een kapotte wekker op z’n nachtkastje laten staan?” Laarmans haalde zijn schouders op. “Sommige mensen vinden dat mooi, z’n nostalgische wekker.” 10 “Maar hij tikt. Waarom zou iemand een kapotte wekker opwinden?” “De macht der gewoonte?” .......................................................................... C. zat in de woonkamer, met zijn hoofd bijna tussen zijn knieën. Hij maakte een zacht jammerend geluid. De agent die tegen de boekenkast geleund stond, knikte naar Van der Zanden en trok met zijn wenkbrauwen. “Kunt u misschien even meekomen. Ik wil dat u mij laat zien hoe het is gebeurd… met uw vriendin.” C. ging langzaam recht zitten. Hij keek bijna angstig naar de slaapkamerdeur. “Uw vriendin is al weggehaald. Ze is nu bij de forensisch patholoog-anatoom.” De mannen liepen de slaapkamer in waar Laarmans op dat moment de wekker in een plastic zak liet glijden. “Vertelt u eens hoe het zo mis kon gaan.” “Ik slaap de laatste tijd slecht. Ik ben oververmoeid, prikkelbaar. Dat heeft er waarschijnlijk toe geleid dat ik zo agressief... zo onbezonnen...” “Heeft u afgelopen nacht ook weer slecht geslapen?” C. knikte. “Verschrikkelijk. Ik heb gelezen tot ik geen letter meer kon zien, ik heb tot duizend geteld. Niets hielp. Ik had nog geen oog dichtgedaan toen ik de vogels weer hoorde fluiten, kort voordat het licht werd. Pas toen ben ik even weggedommeld.” “En toen?” “Toen ging de wekker.” “En wat deed u?” “Ik heb het ding zonder te kijken gepakt en opzij gezwaaid. Ik wilde dat het gerinkel stopte.” “En, stopte het?” De man keek naar de vloerbedekking en schudde bijna onmerkbaar zijn hoofd. “En wat gebeurde er daarna?” “Ik hoorde mijn vriendin kreunen. Toen ik me omdraaide besefte ik wat ik had gedaan.” “Ze was dus nog niet dood. Wat deed u toen?” “Ik heb het alarmnummer gebeld.” “Direct?” “Ja.” “En de wekker?” De man keek niet begrijpend. “Wat deed u met de wekker?” “Die heb ik teruggezet.” “Op het nachtkastje?” “Ja.” “Deed hij het naar behoren? Voor de klap, bedoel ik.” “Ja, hij deed het prima. Niet kapot te krijgen.” De man keek beschaamd toen hij besefte dat hijzelf op brute wijze het tegendeel had aangetoond. “U belde direct nadat u uw vriendin had geslagen. Volgens het bureau belde u om elf minuten voor negen, klopt dat?” “Dat zou kunnen. Ik heb niet op de wekker gekeken.” “Die geeft tien over half drie aan.” Van der Zanden knikte naar Laarmans die de plastic zak behoedzaam omhooghield, alsof hij een kostbaar kunstvoorwerp aan een veilingpubliek toonde. De man durfde er niet naar te kijken. “Ziet u wel? Tien over half drie. Heeft u een verklaring?” “Nee.” “Kan het niet zo zijn dat u na de klap weer in slaap bent gevallen? Dat u zes uur later wakker bent geworden, dan uw vriendin dood in bed heeft aangetroffen en toen de politie pas heeft gebeld?” “Nee. Ik ben niet weer in slaap gevallen. Ik was in één klap wakker.” Laarmans bedwong met moeite een misplaatste glimlach. “Heeft u gecontroleerd of uw vriendin nog leefde?” “Ja. Ik heb haar pols gevoeld en in haar hals. Ze heeft maar één keer gekreund, toen was ze dood.” “U vriendin vertoonde een boogvormig letsel boven haar slaap, geen bloedende wond, meer een afdruk. Ik denk dat de achterkant van de wekker er precies op aansluit. Kan dat kloppen?”

Tekst en fotografie Gert-Jan van den Bemd | Illustratie Jeroen Allart “Ja, ik heb de wekker bij de beugel vastgegrepen en in een boog opzij gezwaaid. Ik denk dat ik haar met de rand van de wekker heb geraakt. Het was een ongeluk.” De man stond op het punt om weer in gejammer uit te barsten, maar Van der Zanden ging onverstoorbaar verder. “Op de wekker zitten een paar rode vlekjes, ziet u wel?” Hij wees met zijn pinknagel naar een maanvormig vlekje en aantal ronde vlekjes op het glas. Ik denk dat het bloed is. Niet afkomstig van uw vriendin, lijkt me. Mag ik uw handen even zien?” De man stak zijn handen voor zich uit, met de rugzijden naar boven. Ze trilden, maar verder st en fotografie Gert-Jan van den Bemd | Illustratie Jeroen Allart “Ja, ik heb de wekker bij de beugel vastgegre- pen en in een boog opzij gezwaaid. Ik denk dat ik haar met de rand van de wekker heb geraakt. Het was een ongeluk.” De man stond op het punt om weer in gejam- mer uit te barsten, maar Van der Zanden ging onverstoorbaar verder. “Op de wekker zitten een paar rode vlekjes, ziet u wel?” Hij wees met zijn pinknagel naar een maanvormig vlekje en aantal ronde vlekjes op het glas. Ik denk dat het bloed is. Niet afkomstig van uw vriendin, lijkt me. Mag ik uw handen even zien?” De man stak zijn handen voor zich uit, met de rugzijden naar boven. Ze trilden, maar verder was was er niets aan te zien. “Andere kant.” Van der Zanden kon zijn teleurstelling niet onderdrukken toen bleek dat ook de palmen geen verwondingen vertoonden. “Van wie zijn die bloedvlekjes dan?” vroeg hij bijna nijdig. Hij knikte naar Laarmans die met de plastic zak de slaapkamer verliet. “Laat ze op het lab niet alleen kijken naar bloedgroep en DNA, maar ook naar hormonen”, riep hij hem na. .......................................................................... C. werd nog diezelfde middag opnieuw verhoord. Deze keer op het bureau. Van der Zanden wist dat hij nog maar weinig tijd had. Zonder verdere aanwijzingen zou hij de man moeten laten gaan. “Bel me zodra je ook maar iets weet”, had hij tegen Bolkhof, de onderzoeker van het gerechtelijk lab, gezegd. Het telefoontje kwam op het moment dat Charles C. nog met zijn billen boven de stoel zweefde, klaar om te gaan zitten. Van der Zanden liet Laarmans een oogje in het zeil houden en liep even de gang op. “De boogvormige kwetsuur is niet de enige verwonding”, viel Bolkhof met de deur in huis. “Erboven zaten nog twee kleine puntvormige verwondingen, verborgen onder haar dikke 11


Monitor 3, september 2010 main

Publitas.com
Publitas.com Nederland